Bij Javaanse dans spelen attributen een grote rol. Per dans kunnen we er wel vijftien verschillende gebruiken, elk met een eigen functie en betekenis. De variaties zijn enorm: van sieraden en kostuumonderdelen tot handrekwisieten. Hoe ze precies heten? Dat hangt af van wie je het vraagt — de benamingen verschillen per regio, traditie of leraar.
Overzicht#


Dames#
Hier vind je veel gebruikte dames attributen voor gebruik in Javaanse hofdansen. In totaal kunnen zo rond de 30-40 attributen per dans worden gebruikt. Hét klassieke patroon voor de danskleding is van het type parang rusak - oftewel patronen van hakmessen. In de kain (omslagdoek) vind je die vaak gestyleerd terug.

Bando jasmin - Bando van jasmijn string als versiering voor de kondé.

Ira-irahan Jamang - De Ira-irahan Jamang is een Hoofdtooi die om het hoofd wordt gedragen. Vaak wordt deze hoofdtooi gecombineerd met een kondé, kam, veer en kembang goyang. Deze Ira-irahan wordt gebruikt in o.a. de dans Suka Retna.

Kain samparan - Gebatikte lap voor het onderlijf en om de benen geslagen met sleep. De patronen zijn vaak in lèrèng (schuin gestreept) parang rusak (gebroken hakmessen) of cindé (zijden bloemmotief).

Kalung - Halsketen. Een ketting bestaande één of drie halve maantjes.

Kalung kembang - Bloemen ketting. Omgeslagen ketting bij de heup en nek voor Gambyong dansen.

Kelat bahu putri - De Kelat Bahu Putri is een arm-ornament. De afbeelding stelt een mythologisch dier voor. Dit is een onderdeel van een vrouwen basiskostuum als de dans een dans afbeeld uit de Wayang of andere verhalen, bv. Srikandi Burisrawa. Moderne choreografieën gebruiken geen Kelat Bahu, bv. in de liefdesdans Enggar-enggar.

Kembang goyang - Een Kembang Goyang (trilbloem) is onderdeel van de hoofdversiersel voor een Kondé (haarstuk). Gebruikelijk is om een oneven aantal toe te passen, dus 3, 5 of 7 stuks.

Kemben - Vrouwenborstkleed. Bovenlijf kleding uit één stuk. Een sampur wordt als riem gebruikt.

Kondé - Stijf opgerolde haarwrong (sanggul). Voor de achterkant van het hoofd en versierd met sieraden zoals kembang goyang.

Mekak bludru - Keurslijf. Bovenlichaam bekleding inclusief opzetstuk (penutup), èpèk (ceintuur) timang (gesp).

Mekak cinde - Mekak cindé

Mekak satijn - Mekak satijn

Mekak satijn payet - Mekak satijn met payetten

Penutup - Penutup

Sisir - De Kam is een haarversiersel en wordt vlak in het haar boven het hoofd gestoken.

Tibo dodo - Lange bloemenstreng als versiering bij de kondé.

Veren - Veren voor Ira-irahan jamang putri

Èpèk timang putri - Ceintuur en gesp. Het vrouwenceintuur is asymmetrisch van vorm en de gesp heeft een ovale vorm.
Dames en heren#
Gemeenschappelijke attributen met een heren en dames variant. Sommige attributen zijn voor dames en heren identiek, zoals de sumping en stagèn, of zijn er kleine verschillen.

Anting-anting - Oorhanger

Bros - Broche om sampur te fixeren.

Cincin - Ring.

Gelang tangan - Armbanden.

Kain - Gebatikte lap voor het onderlijf en om de benen geslagen. De patronen zijn vaak in lèrèng (schuin gestreept) parang rusak (gebroken hakmessen). Putri en Alusan putra karakters dragen vaak kleine tot middelgrote patronen. Putra gagahan karakters dragen grote patronen. Ook zijn er kains in modang (effen) gedragen door Putra gagahan karakters.

Plim - De Plim wordt onderaan de mannen- of vrouwenhoofdtooi bevestigd en stelt een haarzak voor. Al het (lange) haar van de danser(es) wordt dus in de plim geplaatst. Als het haar vrij wordt gedragen, dan draagt de danser(es) geen plim.

Ranté - Ketting. De Ketting is er in vele variaties. Soms bestaande uit drie onderdelen.

Sampur - Danssherp. In vele uitvoeringen zoals cindé (gebloemd zijdeweefsel), polos (één kleur), tumpulan (driehoeksmotief), pelangi (bont) met of zonder payetten, kralen (moté) of franje (rontek). Putri en Putra alusan karakters dragen meestal de kleuren oranje, geel, groen, blauw, wit of paars. Putra gagahan dragen meestal de kleuren rood, groen, blauw of geel.

Sampur tumpulan - Sampur met tumpulan motief

Stagen - De stagèn wordt onder de Sabuk gedragen en is dus onzichtbaar. Het is een meterslange buikband en houdt de kaïn, boro-boro en samir bij elkaar. Daarnaast geeft het stevigheid aan de rug.

Sumping - Sumpings zijn oorversierselen die over de oorschep worden gedragen. De afbeeldingen zijn dierlijke mythologische figuren. De Sumping is onderdeel van het basis herenkostuum.
Heren#
Hier vind je veel gebruikte heren attributen voor gebruik in Javaanse hofdansen. In totaal kunnen zo rond de 31 attributen per dans worden gebruikt. Hét klassieke patroon voor de danskleding is van het type parang rusak - oftewel patronen van hakmessen. In de kain (omslagdoek) vind je die vaak gestyleerd terug.

Baju Gathotkaca - BOVEN voor Gathotkaca met kenmerkende grote ster in het midden.

Binggel - Enkelband. Ook gelang kaki. In enkele rij uitgevoerd voor Putra alusan. De dubbele uitgevoerde is voor Putra gagahan. De karakter Dhayung uit de dans Menak Jingga Dhayung draagt een enkelband uitgevoerd in enkele rij met belletjes.

Boro-boro samir - Boro-boro Samir zijn twee aparte zakken die aan de zijkant worden gedragen. Boro-boro aan de linkerkant (dubbel) en Samir (enkel) aan de rechterkant. Oorspronkelijk droegen alleen dansers afkomstig van de kratons zelf - dus adellijke personen - de Boro-boro.

Brengos - Snor. Voor Putra gagahan karakters.

Celana - Driekwart lange broek van fluweel (bludru) of katoen-zijde (cindé) in diverse kleuren. Putra alusan figuren dragen meestal zwart, groen, blauw of paars. Putra gagahan figuren dragen meestal rood of zwart.

Dhadha - Borsthaar. Voor Putra gagahan karakters.

Dhayung - Dhayung celana, vest en samir

Kalung kaci - Katoenen halsketen. De Kalung (kraag) is een optionele basisaccessoire.

Kelat bahu putra - De Kelat Bahu Putra wordt op de bovenarmen gedragen met de kop naar boven kijkend. De figuren zijn dierlijke mythologische afbeeldingen

Probo - Probo zijn vleugels en worden gedragen door Karna, Gambir Anom en Gathot Kaca.

Ranté putra - Ranté putra + armbanden + broche

Sabuk - De Sabuk is een meterslange buikband en onderdeel van het basiskostuum en wordt over de stagen en kaïn gedragen.

Uncal - De Uncal is een schaamplaat die voor de schaamstreek wordt gedragen. De Uncal is onderdeel van het basis herenkostuum.

Èpèk timang putra - Ceintuur met gesp. Het ceintuur wordt over de sabuk gedragen en steekt circa een duimdkte boven de rand uit.
Hoofdtooien#
Elke Javaanse hofdans is voorzien van een hoofdtooi (Ira-irahan). Afhankelijk van de type dans, draagt de danser(es) een ander hoofdtooi. De karakters in javaanse dansen worden gedanst met verschillende hoofdtooien die een bepaald karakter uitbeelden. Hoofdtooien zijn er dan ook in verschillende soorten. De zwarte krul beeldt over het algemeen het haar uit en het haarzakje of de diadeem houdt het haar (gestyleerd) bijeen. Sommige hoofdtooien beelden een kroon uit, zoals een (Mahkota) of een pruik bij maskerdansen (Tekes).

Blankon - Een blankon is een veelgebruikte hoofddeksel voor heren. Dansen die niet een wayang verhaal uitbeelden gebruiken een blankon.

Ira-irahan Abimanyu - Deze Ira-irahan wordt onder andere gebruikt bij de dans Wiropratama (als Abimanyu).

Ira-irahan Arjuna - Hoofdtooi voor de Mahabharata karakter Arjuna.

Ira-irahan Burisrawa - Hoofdtooi van een rover, o.a. bij Srikandi Burisrawa.

Ira-irahan Dhayung - Ira-irahan van Dhayung. Dhayung is de knecht van Menak Jingga. Deze heeft rondingen aan de voorkant.

Ira-irahan Dursosono - Hoofdtooi voor Dursosono of Suyudono. Ook eventueel te gebruiken voor Karna of Menak-Jingga met extra schelmplaat.

Ira-irahan Gambiranom - Hoofdtooi voor Gambiranom (de zoon van Arjuna). Met extra opzetstuk ook te gebruiken voor Gathotkaca.

Ira-irahan Gathotkaca - Hoofdtooi voor Gathotkaca karakter.

Ira-irahan Pamungkas - Ira-irahan voo o.a. de dans Pamungkas. Deze heeft een gekartelde voorkant.

Ira-irahan Panji - Ira-irahan voor Menak, Koncar en Panji karakters.

Ira-irahan Sinta - Ira-irahan voor o.a. Sinta, Enggar-enggar en Driasmara.

Ira-irahan Srikandi - De hoofdtooi van Srikandi, Ira-irahan Srikandi, kenmerkt zich door de grote schelm aan de achterkant van de hoofdtooi.

Ira-irahan Tekes - De dansen Topeng Gunungsari, Topeng Kelana en Eko Prawiro gebruiken deze hoofdtooi. Tekes is een soort van pruik (bij maskerdansen).

Ira-irahan Tropong - Deze Ira-irahan wordt onder andere gebruikt bij de dans Sancaya Kusumawicitra. De zwarte variant door de alusan (o.a. Kresna, Kusumawicitra) danser en de rode door de gagah danser (o.a. Sancaya, Rahwono). Daarnaast draagt Rama of Setejo een groene variant.
Maskers#
Een Middenjavaanse dansmasker (topeng) beeldt een gestileerd gezicht af. Vroeger waren de Javaanse dansmaskers herkenbare menselijke gezichten, maar sinds de islamisering mochten er geen menselijke afbeeldingen worden getoond. Balinese maskers daarentegen zijn natuurgetrouwe afbeeldingen. Hun Hindoe-religie verbiedt dat niet.

Topeng Gunungsari - De Topeng Gunungsari kenmerkt zich door het witte gelaat.

Topeng Klana - De Topeng Kelana kenmerkt zich door het rode gelaat.

Topeng Panji - De Topeng Panji kenmerkt zich door het blauwe gelaat. Soms wordt deze topeng ook in het groen uitgevoerd.
Wapens#
Wapens zijn vaak gestyleerd en nep. Zo zijn danskrissen niet scherp om verwondingen te voorkomen. Over het algemeen zijn vrouwenwapens wat kleiner en verfijnder dan wapens die heren gebruiken bij de Javaanse hofdansen.

Dadhap - De Dadhap is een slagwapen die gebruikt wordt bij vechtdansen, zowel door heren als door vrouwen. Op de Dadhap wordt een kulitbovenstuk geplaatst. Soms is dit de levensboom (afbeelding links), maar soms ook wayangfiguren als Arjuna (midden) en Kresna (rechts). Deze laatste twee versierselen wordt gebruikt bij de dans Karna Tinanding.

Gada - Knots. Slagwapen in combinatie te gebruiken met tameng (schild).

Keris putra - De Keris Putra wordt aan de achterkant gedragen en in de Sabuk gestoken. Vaak wordt de kris versierd met bloemen, de kembang keris.

Keris putri - De vrouwelijke variant van de keris, Keris Putri, is kleiner dan de herenvariant. De kris wordt in tegenstelling tot de heren, aan de voorkant gedragen

Panah bendhong gendhéwa - Pijlen (panah), pijlenkoker (bendhong) en boog (gendhéwa). Bij gevechtsdansen draagt de danser aan de achterkant een pijlenkoker met pijlen en boog in de hand.

Tameng - Schild. Te gebruiken bij gevechtsdansen ter verdediging. In combinatie met gada (knots) of machète.
